Geachte leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal,

[ Noot van de redactie (MAP): deze brief hoort bij de petitie waarmee BON oproept tot een parlementair onderzoek over de kwaliteit van het beroepsonderwijs (zie ook de andere pagina over deze petitie). Hieronder volgt de letterlijke tekst van de brief die naar de Tweede Kamer gaat. ]

De vereniging Beter Onderwijs Nederland maakt zich grote zorgen over de kwaliteit van het middelbaar en hoger beroepsonderwijs in Nederland en met haar vele duizenden docenten, ouders en leerlingen. Wij brengen u de inleiding van het rapport Dijsselbloem in herinnering die opent met een citaat van leerlingen: “Wij willen leren, geef ons ook een kans”. Wat er in het rapport helaas niet bij vermeld wordt, is dat het hier leerlingen en studenten betrof uit het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. De onrust onder deze groep leerlingen – wij wijzen onder meer op de stakingen in het najaar van 2006 – vormde zelfs een belangrijke aanleiding voor het genoemde parlementaire onderzoek. Dit onderzoek ging echter niet zozeer over de ontwikkelingen in het type onderwijs waar deze leerlingen hun zorgen over uitspraken, maar vooral over de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs.

We moeten helaas constateren dat er momenteel binnen de politiek onvoldoende aandacht uitgaat naar de zeer zorgwekkende kwaliteitsdaling van het middelbaar en hoger beroepsonderwijs terwijl daar juist het overgrote deel van onze leerlingen en studenten wordt opgeleid. De overheid heeft naar onze mening te weinig zicht op wat er in deze onderwijsinstellingen gebeurt, terwijl deze instellingen wel met publieke middelen worden bekostigd en van groot belang zijn voor de toekomst van ons land. Bovendien heeft de overheid haar greep op de feitelijke ontwikkelingen in deze sectoren vrijwel geheel verloren; en voor zover zij die nog wel heeft, wordt er te weinig of op verkeerde manier gebruik van gemaakt. Zouden deze instellingen naar behoren functioneren, dan was er wellicht geen reden tot deze petitie. De problemen in het beroepsonderwijs zijn echter zo groot geworden dat de overheid zich naar onze mening niet langer mag permitteren afzijdig te blijven. Afzijdigheid is in dit geval medeplichtigheid.

Bent U als volksvertegenwoordigers wel goed op de hoogte van wat er aan de hand is in het beroepsonderwijs en hoezeer de kwaliteit van het onderwijs op vele instellingen onder druk staat?

Afgaande op de ervaringen van velen die in deze sectoren werken of gewerkt hebben, zijn wij tot de trieste slotsom gekomen dat het middelbaar en hoger beroepsonderwijs aanzienlijk meer te lijden hebben gehad van ondoordachte onderwijsvernieuwingen dan het voortgezet onderwijs. Bovendien zijn de positie en de kwaliteit van docenten in deze sectoren veel ernstiger geschaad dan in het voortgezet onderwijs het geval is. De overheid is mede verantwoordelijk voor deze ontwikkeling omdat zij actief afstand genomen heeft van haar primaire taak de kwaliteit van het onderwijs te bewaken en de positie van de docent te beschermen. Hoe lang laat U deze rampzalige situatie nog voortduren die ten koste gaat van vele duizenden leerlingen en docenten?

Het afgelopen jaar zijn er twee belangrijke onderzoeksrapporten over de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs gepresenteerd: het parlementair onderzoek van Dijsselbloem en dat van Rinnooij Kan, ‘LeerKracht'. Deze rapporten bieden zonder meer kansen op verbeteringen in het onderwijs en wijzen beide op het belang van de inspirerende en goed opgeleide docent die de ruimte moet krijgen om zijn vak uit te oefenen. Maar wat voor kans maakt dit aanlokkelijke perspectief in het beroepsonderwijs?
In veel gevallen, helaas maar heel weinig; de machtsverhoudingen in het beroepsonderwijs zijn inmiddels van dien aard dat vele didactische veranderingen vanuit de bureaucratische schil (besturen en onderwijssectorraden) worden opgelegd aan docenten en leerlingen, wat er mede voor heeft gezorgd dat de afgelopen jaren duizenden inspirerende en goed opgeleide docenten het onderwijs hebben verlaten. De zoveelste nieuwe-lerenachtige vernieuwing, de zoveelste bezuiniging op goed opgeleid personeel, verregaande reductie van vakdocentcontacturen, enz. zijn hier aan de orde van de dag. Ondertussen is de maatschappelijke onrust over de massale uitval van mbo-leerlingen groot en blijft de kwaliteit op de meeste instellingen dalen. Wie doorbreekt deze vicieuze cirkel van neergang? Zijn het de raden?

Hoewel het rapport Dijsselbloem alle ondoordachte onderwijsvernieuwingen van de laatste jaren diskwalificeert, blijft de MBO-Raad ervan overtuigd dat men op de goede weg is en dat het competentiegericht onderwijs in 2010 landelijk moet zijn ingevoerd. Tussen de goede intenties van overheid, bedrijfsleven en de feitelijke opleidingspraktijk gaapt helaas een kloof. Op zichzelf zijn wij helemaal niet tegen het ontwikkelen van competenties bij leerlingen – dat is juist zeer belangrijk, maar echte competenties worden altijd ontwikkeld in samenhang met gedegen kennis en vakkundigheid en mogen niet ten koste daarvan gaan. In het huidige voorstel is een dergelijke inbedding van de competenties niet gewaarborgd. Het verdwijnen van ‘vakken’ en daarmee ook van de goed opgeleide vakdocenten – dat zich de laatste jaren in het beroepsonderwijs in een rap tempo voltrekt – zal daardoor alleen nog maar versnellen. De ravage in het mbo zal op termijn niet meer te overzien zijn.

Ook de HBO-Raad geeft geen signalen dat de integrale invoering van het competentieleren en de positie van de docent aan een herziening toe zijn terwijl deze vorm van leren in de praktijk veelal een ernstige verschraling van de inhoud teweeg heeft gebracht. Dat is inmiddels zeker geen privaat standpunt meer van BON. Zelfs de voorzitter van de NVAO, Karl Dittrich, heeft te kennen gegeven dat hij het met de analyse van BON eens is. De situatie in het hoger beroepsonderwijs is op vele plaatsen meer dan zorgelijk!

Het mbo en hbo zijn zeer belangrijk voor de economie en daarmee voor de welvaart van ons land. Ook waar het gaat om emancipatie en integratie bieden het mbo en hbo enorme kansen aan studenten om uit te groeien tot waardevolle participerende burgers. Maar dan moet wel de kwaliteit van onze beroepsopleidingen omhoog. Daarbij is de rol van de docent van doorslaggevende betekenis. De 870.000 studenten in het mbo en hbo verlangen naar inspiratie en geven duidelijk te kennen dat zij goede docenten willen in plaats van allerlei onderwijsvormen waarin zij op zichzelf worden teruggeworpen en waarvan het rendement laag is.

Daarom roepen wij u op om uw verantwoordelijkheid te nemen als volksvertegenwoordiger: breng in kaart wat er aan de hand is in het beroepsonderwijs. Maak transparant hoe de publieke middelen besteed worden. Zorg dat het niveau beter gewaarborgd wordt en verbeter de positie en de kwaliteit van de docent.

Wij vragen u daarom een begin te maken met deze veranderingen door een parlementair onderzoek in te stellen.

April/mei 2008

Bestuur Beter Onderwijs Nederland (BON)