Kernproblemen
Beteronderwijsnederland.nl stelt vast dat zich in het MBO (en in het HBO; het MBO kopieert de ontwikkelingen in het HBO met een vertraging van ongeveer twee jaar) de volgende problemen voordoen:
Monopolie
· De fusiegolf van de laatste tien jaar in het MBO heeft geleid tot ROC’s die tussen 10 en 25 duizend leerlingen tellen. De voordelen van deze schaalvergrotingen wegen niet op tegen de nadelen. De gigantische ROC’s monopoliseren het MBO, waardoor gezonde concurrentie op kwaliteit, op eigenheid en werkvormen en op pedagogisch klimaat van de opleidingen onbestaanbaar wordt. De ouders en de leerlingen hebben geen andere keuze dan een keuze voor competentiegericht onderwijs.
Regels, procedures en protocollen
· Centrale aansturing van de enorme ROC’s is niet mogelijk zonder een overmaat aan regels. De invloed van de docent wordt daardoor steeds marginaler. Hij/zij voert alleen nog maar uit wat door anderen is bedacht. Die anderen zijn niet de mensen die dagelijks met de leerlingen samenleven, hun sociale omgeving kennen en hun vreugde en verdriet delen. Nee, die anderen zijn managers, beleidsmakers, adviseurs, onderwijskundigen en uitgevers die de les- en leerwerkelijkheid ontwerpen waar de docent het mee moet doen op basis van modellen, theorieën en statistieken. De docent neemt de leerling en de wereld waarin de leerling leeft als uitgangspunt en wil zijn/haar werkvormen en lesinhoud daarop afstemmen; de anderen nemen de modellen als uitgangspunt en willen de docent, de leerling en de werkvormen daaraan aanpassen. Deze tegenstelling lijkt op dit moment niet te overbruggen. De tanende invloed van de docent op het onderwijs en op zijn eigen werk weerspiegelt zich ook in het uitgavenpatroon en de beloningsstructuur: een kleine 40% van de ROC-budgetten gaat naar het primaire proces (als je alleen de mensen tot het primaire proces rekent die daadwerkelijk lesgeven; de BVE-raad hanteert heel andere normen) en carrièresprongen zijn alleen mogelijk in management en beleid. Met de invoering van het CGO zal de status van de leraren/coaches in een rap tempo verder dalen. Beleid, beheersing en management, daar gaat het om in de moderne ROC’s; aan het lesgeven is geen eer te behalen.
Docentschap uitgekleed
· Nog niet zo lang geleden was het zo dat de docent in samenspraak met zijn team en met zijn vaksectie het curriculum bepaalde op basis van een overzichtelijk aantal eindtermen. De docent werd toen nog gezien als een professional. Het vak was toen afwisselend en er werd een groot beroep gedaan op creativiteit en samenwerkingsvermogen. De docent bepaalde met het team de intakecriteria, de lessentabel, de boekenlijst, de toetsmomenten, de buitenschoolse activiteiten, hij/zij speelde een rol in de voorlichting, in de in- en externe communicatie en in de leerlingbegeleiding en het decanaat. Kortom, een prachtig vak: uitdagend, afwisselend en enorm verantwoordelijk en creatief. Al deze activiteiten zijn met de vorming van de giga-instituten bij de docent weggehaald en ondergebracht bij de “professionele “staf die de honderden kantoren en kantoortjes bemensen. Het gevolg daarvan is dat het docentschap niet aantrekkelijk meer is. Teams dienen alleen nog om taken te verdelen die niet in de normjaartaak zijn ondergebracht, vaksecties bestaan al jaren niet meer, leerlingbegeleiding bestaat uit het aanvinken van aanwezigheidsstaten en het berekenen van presentiepercentages. Het vak is saai, routineus en louter uitvoerend geworden. Dat is de reden dat er nauwelijks nog ambitieuze jonge mensen zijn die leraar willen worden. Ons vak is ons afgenomen!
De gevolgen in een notendop
1. Met de invoering van de WEB werd voor het eerst de macht en invloed van de stafafdelingen gevoeld in de onderwijspraktijk van alledag. Uitgangspunt was toen al dat de docenten er niets van bakten en de leerlingen de school uitjoegen. De WEB schreef daarom tot in de meest absurde details voor welke eindtermen behandeld en geëxamineerd moesten worden. De rol en invloed van de docent werd toen voor het eerst moedwillig gemarginaliseerd. Geholpen heeft de WEB niet, want de leerlinguitval is alleen maar toegenomen. Het CGO is het volgende experiment dat het MBO moet gaan redden, en de leerlingen binnen moet gaan houden. Nog meer dan de WEB heeft het CGO grote gevolgen voor de lespraktijk. Dit komt ondermeer doordat het CGO in eerste instantie gebruikt wordt om bezuinigingen door te voeren. Intakeprocedures bestaan niet meer en het klassenmodel is opgeheven. Alle leerlingen, ongeacht hun niveau, zitten door elkaar in grote groepen. Leerlingen kennen elkaar en hun docenten niet meer. Ze ontvangen een maximaal geïndividualiseerd leertraject, dat ze zelfstandig doorwerken op basis van hun eerder verworven kwalificaties en hun persoonlijke leervraag. Alles wat het onderwijs leuk en gezellig maakte, is daarmee verdwenen. Er zijn geen gemeenschappelijke ervaringen meer, er is geen schoolgevoel meer, er is geen gelegenheid meer voor de leerling om de eigen ervaringen in bedrijf en samenleving te toetsen aan “peers’ of aan de docent. Daarmee worden de eindtermen die door de uitgeverijen van de CGO-methodes zijn vastgesteld allesoverheersend in het beroepsonderwijs. Voor zaken als emancipatie van kansarme groepen en voor het ontwikkelen van de zogenaamde tweede natuur of cultureel kapitaal (zie socialeagenda.nl/ Bowen Paulle, onderwijssocioloog Universiteit van Amsterdam) is in dit nieuwe leren geen plaats meer. Het beroepsonderwijs verliest daarmee zijn rol als emancipatiemachine.
2. Hoe geïndividualiseerd de trajecten ook zijn, in heterogeen samengestelde groepen bepalen de zwakste leerlingen uiteindelijk het eindniveau. Excellente leerlingen worden ongelukkig en zullen uitvallen. De zwakke leerlingen worden ook ongelukkig, omdat ze steeds het gevoel zullen hebben te falen. Hoewel veel leerlingen gekwalificeerd de school zullen verlaten –de politiek vereist dat nu eenmaal -, daalt het niveau van de uitstroom steeds verder. Dit brengt de kenniseconomie niet dichterbij.
3. Nu al is het zo dat zich nauwelijks gekwalificeerde docenten melden voor vacatures op ROC’s. Vooral in de grote steden worden lege plekken gevuld met zij-instromers. Bovendien staan de laatste voordelen van een baan in het onderwijs op de tocht. Zo zullen de schoolvakanties binnenkort bijna zeker verdwijnen, met goedvinden van de vakbonden. Een aantal ROC-opleidingen kent al een “ophokplicht” voor docenten die verplicht van 8.30 – 17.00 uur aanwezig moeten zijn, ongeacht of er leerlingen zijn of lessen zijn. Voor vrouwen en mannen die werk en opvoeding van hun kinderen willen combineren wordt het onderwijs als werkkring er niet aantrekkelijker op. Het lerarentekort zal daardoor in het MBO dramatische vormen aannemen. Dit zal de kwaliteit van de opleidingen ernstig doen afnemen.
4. De ROC’s menen dat de docenten niet langer in staat zijn om de huidige generatie leerlingen binnen het onderwijs te houden. Het CGO zou de voortijdige uitval van MBO-leerlingen voorkomen. Dat zal het volgende grote misverstand blijken te zijn: er zullen net zoveel leerlingen voortijdig uitvallen, omdat er ook in het CGO niet geselecteerd wordt aan de poort. Alleen leerlingen met de juiste vooropleiding en de juiste motivatie zullen uiteindelijk gekwalificeerd uitstromen en uitstekende werknemers blijken waar het bedrijfsleven de concurrentiestrijd mee aan kan. Natuurlijk moeten alle soorten leerlingen worden opgevangen in de ROC’s, ook de moeilijk lerende leerlingen en de leerlingen die de juiste sociale kaders missen. Voor moeilijk lerende leerlingen moeten echter aparte opleidingmodellen ontwikkeld worden. Als je deze leerlingen opvangt in de bestaande opleidingen zoals dat nu gebeurt, doe je drie groepen groot onrecht: de moeilijk lerende leerling zelf, de reguliere leerling en de docent, want niemand is op die onmogelijke taak berekend.
5. De politiek eist van de ROC’s dat zij zich richten op almaar meer maatschappelijke misstanden. We moeten leerlingen opleiden met te weinig vooropleiding, we moeten werken aan integratieproblemen, we moeten ze zaken bijbrengen die tot de basisopvoeding behoren, we moeten ze respect bijbrengen voor vrouwen, voor andere religies, voor mensen met andere seksuele voorkeuren, voor andere rassen en culturen, we moeten wat doen aan de tienermoeders en aan overgewicht en gezonde leefstijlen. De beleidsmakers van de ROC’s beloven van alles en schrijven indrukwekkende rapporten waaruit een grote maatschappelijke betrokkenheid spreekt. Maar de docent die het allemaal moet doen, wordt niet opgeleid of ondersteund. Voor hem of haar geen faciliteiten, geen opleidingen of cursussen. De politiek moet zich realiseren dat er altijd een categorie leerlingen zal overblijven die niet op te leiden is binnen het reguliere onderwijs. Richt je als beroepsopleiding op de leerlingen die een goede kans hebben om het gekozen beroep daadwerkelijk te gaan uitoefenen.
Wat wil Beter Onderwijs Nederland met het MBO?
De tegenstelling tussen staf en docent neemt langzamerhand dramatische vormen aan. De beleidsmakers maken een karikatuur van de docenten die ze betichten van conservatisme. Ze zetten hen neer als bewakers van verworven rechten. Docenten zouden mensen zijn die hun koninkrijkjes niet willen opgeven waarin ze jarenlang hun leerlingen absoluut hebben geregeerd.
Aan de andere kant zien docenten de beleidsmakers als bureaucraten die erop uit zijn om almaar meer macht te verwerven. Ze zien de stafleden als kantoorvolk dat de docenten wil vervangen door instructeurs die tenminste doen wat er van ze verlangd wordt en die bovendien goedkoper zijn.
Die tegenstelling is vals. Beter Onderwijs Nederland blijft er vanuit gaan dat alle werkers in de ROC’s hetzelfde belang dienen: kwalitatief goed beroepsonderwijs bieden aan onze leerlingen en daarmee bijdragen aan de Nederlandse samenleving. De tegenstelling is bovendien contraproductief, want als alle partijen op deze manier de stellingen blijven betrekken, dan leidt dat zeker niet tot oplossingen. En die oplossingen moeten er komen!
Het is van het grootste belang dat de partijen met elkaar in gesprek gaan. Beteronderwijsnederland.nl wil alle partijen daartoe dan ook nadrukkelijk uitnodigen. Laten we hier, in ons digitale MBO-huis, met elkaar een eerlijk debat aangaan. Laten we in gesprek gaan op basis van argumenten en op basis voor respect voor elkaars professionaliteit. Het mooie beroepsonderwijs verdient dat. Onze leerlingen verdienen dat. De toekomst van ons land verdient dat. Want uiteindelijk zijn het onze MBO-leerlingen die de ruggengraat vormen van de Nederlandse economie. Mede door hun inspanningen kan Nederland weer bruisend en concurrerend worden.
Stuur dus je commentaren in, start een discussie, kom op met die hartenkreet! Word lid van Beter Onderwijs Nederland.
Reacties
Beter onderwijs Nederland heeft op haar site een artikel staan van Harm Beertema, getiteld "Dubbeltjes en kwartjes". Het artikel is niet alleen grof en ongenuanceerd, het bevat ook onjuiste informatie. Het herontwerp van het MBO komt voort uit de nieuwe kwalificatiestructuur, waar het ministerie wel degelijk bij betrokken is. Experimentele opleidingen (pilots die na evaluatie moeten aangeven welke verbeteringen nodig zijn) worden ook "gecontroleerd" door inspectie en KCE (namens de minister toezichthouder op de examens).
Het in de media en door Harm Beertema verguisde competentiegerichte leren combineert vakkennis met vaardigheden die nodig zijn om je als (beginnend) beroepsbeoefenaar op de markt te kunnen zetten en handhaven. Aan die vaardigheden wordt meer dan voorheen aandacht besteed. Het voert te ver om op alle aspecten in het artikel in te gaan, zo hebben APS en de Bve Raad een andere taak en positie dan in het artikel wordt beschreven. Het zou de schrijver en de vereniging sieren als informatie wordt bekeken op juistheid en als de toon zou leiden tot debat. Daarmee bewijs je het onderwijs pas een dienst.
Beste mevrouw Brendel,
Tot nu toe heb ik niet eerder reacties van voorstanders van het nieuwe leren in de media gezien, zelfs niet op de serie "Onder Onderwijzers" van Martin Sommer in de Volkskrant. Waarom men ervoor kiest om niets te laten horen ontgaat mij. U bent de eerste en dat siert u.
U treft foute informatie aan in mijn artikel, want u stelt dat het ministerie en de inspectie wel degelijk betrokken zijn bij de implementatie van het competentieleren. Ik geloof u graag en ik geef toe dat ik dat te ongenuanceerd heb verwoord. Ook de rol van de BVE-raad en de adviesorganisaties is anders dan ik die beschrijf.
Feit blijft wel dat de onderwijsvernieuwing van het competentieleren een enorme operatie is, met grote gevolgen voor de werkwijze van zowel docent als leerling: alles moet anders, alles komt op z'n kop te staan, alweer, want het onderwijs grossiert in grootscheepse vernieuwingen en complete verbouwingen, die kennelijk nooit het gewenste resultaat bereiken, omdat enkele jaren later weer alles anders moet. Tegelijkertijd is nooit goed beargumenteerd wat het nieuwe leren zo goed maakt. Iemand heeft ergens bedacht dat we ineens in een tijd leven dat kennis er minder toe doet dan vaardigheden en dat een leerling gemotiveerder studeert als hij eerst een eigen leervraag formuleert. Het is weer te kort door de bocht, ik weet het, maar in dit kader moet dat even. Vervolgens ontstaat er een dynamiek, die niet meer te stoppen is. Iedereen in het grote onderwijshuis komt in beweging. Als docent (?) zult het met mij eens zijn dat de leraren tegenwoordig in het kleinste kamertje van dat onderwijshuis zitten en dat er niemand naar hen luistert. In de salon zitten de vele managers, bestuurders, beleidsadviseurs en interne en externe deskundigen, en niet te vergeten de uitgeverijen, die bepalen hoe de onderwijswerkelijkheid eruit gaat zien. Als een soort Betuweroute gaat het vernieuwingsproces vervolgens van start: het is niet meer te stoppen. Weet u wat ik grof en ongenuanceerd vind? De manier waarop wij, de docenten, in dat proces worden neergezet: als mensen die het al die jaren helemaal fout hebben gedaan, als mensen die verbeteringen tegenhouden omdat we de leerlingen frontaal en klassikaal willen platpraten. Zo wordt het ons voorgehouden op de voorlichtingsbijeenkomsten. U hebt dat als docent toch ook meegemaakt?
Laat een ding duidelijk zijn: er zijn nauwelijks leraren in het MBO die tegen competentieleren zijn en ik zeker niet. U weet net zo goed als ik dat de meeste docenten al jarenlang bezig waren met projectonderwijs, waarin plannen, samenwerken, informatie zoeken en bewerken en presenteren de dagelijkse gang van zaken waren. De boosheid bij de docenten komt voort uit gekwetste beroepseer: we willen ons niet laten wegzetten als onderwijsdino's die niets willen en goed onderwijs in de weg staan. En we willen ons zeker niet laten wegzetten door mensen die moedwillig een karikatuur maken van het onderwijs waar wij jarenlang (in vaak buitengewoon moeilijke omstandigheden) onze beste krachten aan hebben gegeven en die bovendien zelf geen flauwe notie hebben hoe onze (grotestads)leerlingen denken, voelen en leven, domweg omdat ze nooit in een klas komen.
Heel veel schade had voorkomen kunnen worden als de docenten betrokken waren bij het proces, als de professionals die zij zijn. Dan was het CGO breed gedragen door de mensen die het uiteindelijk vorm moeten geven. Bovendien zou het CGO dan minder gefixeerd zijn geweest in zelfwerkzaamheid en de verhouding kennis - vaardigheden zou evenwichtiger zijn geweest. En, niet onbelangrijk- het CGO zou dan niet gebruikt zijn om een bezuinigingsoperatie door te voeren, waarbij, net als in het HBO, docenten op termijn worden vervangen door instructeurs in schaal 9.
Maar wie weet, mevrouw Brendel, is alles nog niet verloren en openen wij hiermee het broodnodige debat dat tot positieve resulaten leidt. Wat daarbij zeker ook aan bod moet komen is de stelling van Greetje van der Werf, hoogleraar Onderwijskunde in Groningen, dat het "oude leren" effectiever is dan het "nieuwe leren". Ook daar heeft niemand van de voorstanders nog op gereageerd.
Graag uw reactie, mevrouw Brendel, en nogmaals mijn dank voor het openen van het debat waar we zo lang op hebben gewacht.
Harm Beertema
Hallo, ik zal me eerst identificeren voor het gemak. Leraar Engels aan het MBO, vooral in de technische opleidingen. Binnenkort stap ik over naar Cinop: een van de onderwijsadviesdiensten die door veel verontruste mensen in het onderwijs verantwoordelijk worden gehouden voor alles wat er mis gaat.
Ik heb steeds met veel plezier meegewerkt aan projectonderwijs waarbij de gezamenlijke vaktechnische en taalcompetenties (al heette dat dan vaak anders) van de studenten uitgangspunt waren. Die projecten zijn bij ons op het college oa de voorbeelden waar we ons op richten nu we officieel over gaan stappen naar CGL, COL, CLOP: vele vlaggen voor dezelfde lading. Alle opleidingen bereiden zich voor via studiedagen en proefprojecten. En toch zal er nog veel misgaan, ondanks ons uitgangspunt: de student mag niet de dupe worden van startproblemen.
Harm Beertema erkent gelukkig net als wij dat veel docenten graag meewerken aan deze onderwijsvernieuwing. Wij hebben ook vastgesteld dat het oude leren en vooral de oude organisatie vaak niet meer werkt: verontrustend hoge absentie en onacceptabel hoge uitval is al jarenlang hét probleem in het MBO. Hoe komt het dat er dan zoveel weerstand is tegen de daadwerkelijke invoering van de vernieuwing? Komt het door het misverstand dat degelijke ouderwetse kennisoverdracht ineens verboden is? Maar die heeft een belangrijke plaats in de ondersteunende leerlijnen. Als je voor het gemak van de discussie simplificeert spreken we over de integrale leerlijn (gecombineerde beroepsgerichte opdrachten en taken waarin de studenten leren en presteren maar vooral toepassen) en de ondersteunende leerlijnen (kennis, vaardigheden, begeleiding).
Een van de belangrijkste aspecten van de veranderingen betekent niet veel anders dan: recht doen aan verscheidenheid. Een student die redelijk zelfstandig kan werken moet je niet voor straf hetzelfde pakket aanbieden als iemand die juist veel hulp en structuur nodig heeft. Daarop dient het invoeringstraject zich ook te richten. Jammer genoeg hebben we in Nederland inderdaad nogal eens gezien dat verandering tot bezuiniging op de werkvloer leidt en Europabreed lopen we niet vooraan waar het financiële investeringen in het onderwijs betreft. Laten we ons dan dáár op richten. Verwoorden wat de succesvoorwaarden zijn en die overbrengen. Een algemene vergelijking zegt politiek niet zo veel maar concrete aanduidingen waar het geld voor nodig is, zal meer indruk maken.
Laten we inderdaad vooral zorgen dat we van voor- en tegenstanders geen karikatuur maken. Zo is mijn overstap naar Cinop mede ingegeven door de behoefte aan iemand als ik: die vanuit de praktijk (ik werk al 27 jaar met plezier in het onderwijs, voornamelijk (V)MBO) weet waar hij over praat, die innovaties ook heeft zien mislukken door te weinig overleg met en facilitering van ‘de werkvloer’, maar ook het genoegen heeft beleefd van succesvolle projecten met inderdaad veel zelfwerkzaamheid door de studenten, die daarin wel de juiste begeleiding kregen. Succes allemaal!
Och mevrouw Brendel,
Het moge zo zijn dat de heer Beertema er hier en daar naast zat wat feitelijkheden betreft. Maar de kern van zijn betoog is u kennelijk ontgaan. Het gaat namelijk om het gebruiken van een didactisch model dat op de eerste plaats in NL nooit getest is op functionaliteit, effectiviteit en inhoudelijk rendement integendeel, in de landen waar het wel als pilot werd geïntroduceerd, is het nieuwe leren onmiddellijk naar de prullenbak verwezen. En ik mag u verzekeren dat deze feiten wel kloppen.
Wanneer mensen uit de praktijk kritiek hebben op een systeem dat klaarblijkelijk niet werkt en bovendien vooraanstaande opiniemakers dat bevestigen zou het u beter staan als u zich zou afvragen of er wellicht toch iets mis is met dat nieuwe leren.
Als docent en ouder heb ik de ervaring met mijn studenten en mijn
kinderen dat het nieuwe leren een hoog cijfer oplevert en een leeg hoofd of in de lagere regionen van ons onderwijs leerlinguitval, onvrede, verwarring, slechte resultaten en een belabberd inhoudelijk eindresultaat. Dat komt niet alleen doordat het competentieleren niet geschikt is voor het onderwijs maar maar ook doordat niemand eigenlijk meer weet competentie-onderwijs is omdat het eigenlijk niet bestaat.
Het volgende saillant detail wil ik u toch niet onthouden.Ik ben jaren competentie-beoordelaar in het bedrijfsleven geweest. En ik moet u zeggen dat het mij ongelooflijk pijn doet om te zien dat een methodiek ontworpen om mensen die al VOLDOENDE kennis en VOLDOENDE vaardigheden hebben verder te ontwikkelen zo wordt misbruikt in het onderwijs en steeds op een eigen manier wordt uitgelegd
Je hebt op de eerste plaats een gedegen analyse nodig per functie om vast te stellen welke competenties voor die functies primair zijn. Vervolgens
moet je mensen hebben die uit gedrag competenties kunnen destilleren.Ik kan u verzekeren dat organisatie- en sociaal psychologen dat al moeilijk vinden .
In ons onderwijs doet iedereen dat, iedereen is coach, begeleider etc. terwijl niemand precies weet wat competenties eigenlijk inhouden. Maar stel, stel dat dat alles wat ik hiervoor noemde deugde, dan nog ben ik nog geen enkele school school tegengekomen die onderwijst in competenties; men beoordeelt en stuurt de leerlingen en studenten het bos in. Mensen trainen in competenties is buitengewoon duur en soms onuitvoerbaar omdat de meeste competentie moeilijk trainbaar zijn.
Ook u lijkt, getuige uw reactie, geen idee te hebben wat competentieonderwijs eigenlijk is. Ik hou er niet van om mensen te beledigen want, dat leidt nergens toe, maar het zou me niet verbazen als u hoort bij het korps managers, onderwijskundigen, bestuurders of adviseurs van pedagogische bureaus of wellicht bent u iemand die dankzij het nieuwe leren een baan heeft. Als ik ernaast zit, dan bied ik u bij voorbaat mijn excuses aan en stel ik voor met u verder in discussie te gaan. Maar ik heb wel een voorsprong. Alles wat tot nu toe bedacht, ontwikkeld en onderzocht is op het gebied van wetenscahp, kunst, religie en cultuur is niet dankzij het nieuwe leren geschied.
Beste mevrouw Brendel,
Graag wil ik als ouder van een zoon op een ROC reageren op uw verdediging van het competentiegericht onderwijs.
Mijn zoon heeft er nu bijna drie jaar ICT academie opzitten. Leerlingen heten daar tegenwoordig deelnemers. Deelgenomen aan het onderwijs heeft hij inderdaad, maar iets geleerd...? Het eerste jaar betrof vooral werken in 'tutorgroepen', waar de begeleiding van de leraren zich beperkte tot 'zoek het zelf even uit' op vragen van de leerli...pardon, deelnemers. En waarin de meer ongemotiveerde deelnemers over het algemeen het niveau behoorlijk omlaag konden trekken. Een type onderwijs met weinig structuur, terwijl heel veel leerlingen juist structuur nodig hebben om goed te kunnen werken.
Daarna volgden stages, waar hij volgens eigen zeggen veel meer leerde dan op school. Alleen, die stageboeken met onpraktische vragen die dan ingevuld moesten worden, en waar hijzelf noch de stagegever raad mee wisten.. Wat het meest opvallend was, was het geringe aantal lesuren. Hij heeft daardoor wel heel veel thuis achter de computer gezeten, maar daarbij niets geleerd van ICT. Traceren wat hij voor school moest doen was voor mij als ouder onmogelijk, zodat ik dat niet kon bijsturen.
Competentiegericht onderwijs? Omdat ik zelf op ICT gebied aardig thuis ben, heb ik heel sterk de indruk dat wat hij in drie jaar op het ROC geleerd heeft, met een intensievere aanpak ook in een jaar had gekund. Dat is pas geld weggooien!
Opmerkingen over APS, Bve raden, KCE, kwalificatiestructuur zeggen mij als ouder helemaal niets. Ik heb vooral gezien dat mijn zoon drie jaar bijzonder weinig onderwijs heeft gehad, nauwelijks gestimuleerd is om te werken, laat staan opgeleid is tot beroepsbeoefenaar. Dat leidt niet bepaald tot grote waardering voor de huidige veranderingen in het onderwijs.
Ko van Huissteden
Graag zou ik reacties krijgen van anderen. Alle reacties zijn welkom, maar vooral mensen met ervaring in VMBO en MBO nodig ik uit mee te discussieren. Centrale vraag is: Zijn de uitgangspunten van de BON (zie rechtsboven de startpagina van deze website) onverkort toe te passen op het beroepsonderwijs?
Zelf denk ik dat er voor de leerlingen in het (V)MBO aanvullingen nodig zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan:
- meer faciliteiten (uren) om in te gaan op leerbelemmerende sociale omstandigheden, contacten met hulpverleners, politie en justitite
- kleine teams formeren om elke klas goed te kunnen leren kennen (vakkennis dus iets minder belangrijk). Maximaal 3-4 leraren per klas
- ook voor minder briljante leerlingen heeft het onderwijs als doel het onderste uit de kan te halen voor wat betreft kennis en vaardigheden
- specifiek voor MBO: begeleiden tot en met een baan (dus niet tot en met het diploma)
Dit lijstje is voor aanvulling vatbaar en ik ben benieuwd wat er uit komt.
Dag Hinke,
Goed initiatief! Even een snelle reactie op jouw voorlaatste punt. BON maakt in haar activiteiten geen onderscheid tussen sterke en zwakkere leerlingen. Elk type leerling heeft recht op degelijk onderwijs op passend niveau. Mocht daar onduidelijkheid over heersen, dan hoop ik die hiermee weggenomen te hebben.
Dank voor je reactie. Ik was er niet bang voor dat BON zou vinden dat 'domme' leerlingen geen recht hebben op degelijk onderwijs. Wat ik wel erg vaak zie is het m.i. domme automatisme dat leerlingen die minder goed willen of kunnen leren altijd goed met hun handen zouden zijn. Dat is NIET het geval.
Al was het wel het geval, dan zijn er nog wat andere complicaties:
- de Nederlandse samenleving is zo ingewikkeld geworden, dat je eigenlijk veel theoretische kennis en (b.v. administratieve) vaardigheden moet hebben om simpelweg goed voor jezelf en je gezin/kinderen te kunnen zorgen.
- De werkgelegenheid voor mensen die goed met hun handen zijn, of voor mensen die niet goed kunnen leren is de laatste jaren ongelooflijk slecht geworden.
Electronica- en autofabrieken gaan naar China of het Oostblok. Ook andere banen waar lager geschoolden vroeger een fatsoenlijke boterham uit haalden zijn verdwenen. Veel gaat als bijbaantje naar scholieren en studenten. Voorbeelden? Wie kan er nog een gezin onderhouden van een baan als postbode, serveerster, buschauffeur of winkelbediende? Dat zijn allemaal part-time geflexibiliseerde (bij)baantjes geworden. Het rare effect ervan is dat mijn leerlingen nu stikken van de bijbanen. Ik ken er die 24 uur per week een bijbaan hebben (en nog wel een volle studiefinanciering incasseren). Zodra ze (eindelijk) hun diploma hebben kunnen ze geen baan vinden waarmee ze echt in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Studiefinanciering, OV-jaarkaart en ruim 500 euro bijverdienste, daar kan geen laaggeschoold baantje tegenop.
Maar waar ik naar toe wil: leren moet, gewoon om te overleven!
Zie hier.